In de jaren dertig liep er zeker wel zo’n dertig man personeel rond aan de Collardslaan. Monteurs waren veelal in hun vak geschoold, maar verkopers kwamen uit alle gelederen. Uit de kringen van werknemers die na een opleiding bij Wander vertrokken om voor zichzelf te beginnen kwamen weer nieuwe automobielbedrijven voort. De Vries en Baas bijvoorbeeld, en Tappel (dit bedrijf bestaat nog steeds). Andere namen zijn o.m. Smit (en Schoenmaker), Eisses, en Woud.
In 1935 beschikte Wander over de volgende agentschappen: Standard, Plymouth, Chrysler en Adler voor de auto’s, Fargo, Diamond T en Adler voor trucks en voor de motorfietsen New Imperial en Zündapp. Het handhaven van verschillende merken was een bedrijfseconomische noodzaak en het toeleggen op uitsluitend Opel kwam pas later. Dat nam niet weg dat uit contacten met GM blijkt, dat laatstgenoemde daar wel pressie op uitoefende; zelfs wilde dat er voor de verkoop van Opel een eigen, exclusieve locatie kwam. In 1936 lezen we in het jaarverslag dat een contract met GM is getekend voor Chevrolet, Opel en Bedford. Over Buick, Oldsmobile en Pontiac was men nog in onderhandeling. Wat die eigen Opel-locatie betrof dacht men met een gerust hart een en ander te kunnen traineren.
Geert Timmer was op zestienjarige leeftijd begonnen als leerjongen en klom via de functies van verkoper en bedrijfsleider in 1937 op tot directeur, terwijl Dieters toen met pensioen ging. Wel bleven de drie overgebleven oprichters, samen met Geert Timmer, aandeelhouder. Timmer was een gedegen directeur die goed had gekeken naar zijn voorganger. Waar Dieters was begonnen met zijn publiekstrekkers maakte Geert Timmer goede sier met de ‘glazen wagen’, een grote truck voorzien van glazen zijwanden met daarin op hun paasbest uitgestalde motorfietsen. Hij reed er onder meer mee naar Eindhoven, waar de ingenieurs van Philips motoren aanschaften. In die tijd ging verkoop gepaard met demonstratie en Geert draaide daar zijn hand niet voor om.